Sierduiven
J.Luchtmeijer

PRONK-, DREIG-, VECHT- EN AFWEERGEDRAG


Deze gedragingen zijn zowel bij rots- als bij huisduiven goed waar te nemen. Zulke grote verschillen in vechtgedrag als bij hoenders voorkomen kennen we bij duiven niet. Weliswaar vechten doffers van het rotsduiventype met meer volharding dan sterk doorgefokte rassen, maar fundamenteel niet anders.

Bepaalde rassen, zoals bagadetten, kroppers en kipduiven worden door fokkers als vechtlustiger gezien dan de meer vredelievende pauwduiven en meeuwen.

In afweergedrag en gedrag bij gevaar bestaat geen verschil tussen de diverse rassen.


Pronken, dreigen en vechten

Bij het verdedigen van hun territorium pronken de doffers als bij het baltsen. Wijken vreemde doffers niet dan worden ze bedreigd. Daarbij staan de concurrenten in dreigende houding tegenover elkaar. Pas dan wanneer geen deelnemer verdwijnt komt het tot vechten. Het conflict eindigt, als de zwakkere het veld ruimt.

Ook bij duiven bestaan er zwaktegebaren, die aanvallen sterk afzwakken. Dit uit zich vooral in het trekken met de vleugels. Aan de grens van hun territorium blijven de overwinnaars volharden in hun dreighouding.


Pronkende doffers.

Dit gedrag wordt al bij nestjongen gezien. Ze blazen daarbij hun krop op, knappen met de snavel en slaan met de vleugels.

Vanaf de 10e levensdag reageren ze duidelijk op prikkels uit de omgeving, zoals een mensenhand. Ze verdedigen zich hier tegen met dreigend opensperren en knappen van hun snavel. Vooral jonge doffers vertonen dit gedrag. Vechten van jonge doffers begint met pronken aan de territoriumgrens. Ze blazen hun krop op, poetsen hun veren en maken al rondjes draaiend buigingen. Dan richten ze zich op om opnieuw, met gespreide, over de bodem slepende staart, om hun as draaiend, steeds pronkgeluiden makend weer in kringetjes lopend buigingen te maken.

Deze aanstellerij vertonen ze ook bij het baltsen om zowel doffers uit te dagen als duivinnen te imponeren. Het pronken gaat over in dreigen als andere doffers er agressief gebogen tegenover gaan staan. Daarbij trekken ze vaak met de vleugels. Als de tegenpartij niet terugwijkt beginnen ze te vechten. Met de vleugels slaan ze op elkaar in. Slechts in een uitzonderlijk geval hakken ze met de snavel op elkaars lichaam in en bijten ze zich aan elkaar vast. Hierbij kunnen bloedende wonden aan de washuid, kop en hals ontstaan. Als de zwakkere naar zijn territorium vlucht wordt hij zelden door de winnaar achtervolgd. In een vreemd territorium vechten doffers vaak zo geremd, dat ze meestal het onderspit delven tegenover de bezitter van dat territorium.


Angst- en vluchtreacties

Duiven zijn bang voor onverwachtse, harde geluiden, zoals knallen en schieten. Bevinden ze zich in het open veld, dan vliegen ze snel weg. Als ze zich in een veilige omgeving wanen stellen ze zich onbeweeglijk op.

Op roofvogels reageren ze met angstig toe te kijken, alarmgeluiden te maken, en verstard, ineengedoken of opgericht te gaan zitten. De veren liggen strak aan, de vleugels zijn aangespannen. Ze zijn steeds tot wegvliegen gereed.

Als ze door roofvogels worden opgejaagd kunnen ze bijzonder snel vliegen. Door bliksemsnelle uitwijkmanoeuvres proberen ze aan deze te ontkomen en in een beschermende schuilplaats te belanden. Deze verlaten ze pas na geruime tijd. Als een duivenzwerm door een roofvogel wordt verrast gedraagt ze zich uniform: de dieren verenigen zich tot een dichte troep ,stijgen tot boven de jager om vervolgens pijlsnel in de diepte te duiken naar een veilig lijkende omgeving.




Naar volgend hoofdstuk.


Terug naar Het gedrag van duiven.