Sierduiven
J.Luchtmeijer

DOOR SOORT EN OMGEVING BEPAALD GEDRAG


Duiven hebben aangeboren gedragskenmerken, bijvoorbeeld het poets- en baltsgedrag. Dit wordt door hun erfelijke aanleg bepaald. Hierdoor kunnen ze op de juiste manier reageren op bepaalde prikkels van buiten (bijv. het verschijnen van een partner) of vanuit hun eigen lichaam (bijv. honger en poetsneiging).


Nestelende straatduiven in het Park Güell, Barcelona.


Om goed te kunnen leven moeten duiven zich aanpassen aan hun omgeving; elke soort op zijn eigen manier.

Rots- en huisduiven moeten voor het zoeken naar voedsel zich zowel op de grond als in de lucht voortbewegen. Het zijn planteneters die hoofdzakelijk zaden oppikken en die als holenbroeders hun nesten in nissen bouwen.

In tegenstelling tot andere vogels gebruiken ze hun voeten niet om iets vast te houden, evenmin om te scharrelen. Voer en nestmateriaal pakken ze met de snavel beet. Bovendien gebruiken ze de snavel en de vleugelboog om te vechten. Ze gebruiken hun snavel dus in bepaalde situaties zoals een mens zijn hand gebruikt. De vleugels, die in aanleg overeenstemmen met mensenhanden worden slechts zelden als zodanig gebruikt (bijv. bedelen en vechten).


De zintuigen van duiven zijn goed aangepast aan hun manier van leven. Als “ogendieren”  met een goed ontwikkeld gezichtsvermogen beschikken ze over twee keer zoveel gezichtscellen in hun netvlies als de mens en ze hebben een veel groter gezichtsveld. Bewegingen nemen ze minder goed waar dan de mens, maar kleuren juist beter.

Het evenwicht en het bewegingsgevoel, die noodzakelijk zijn om goed te kunnen vliegen, zijn bij duiven zeer goed ontwikkeld. De smaak, met als onderscheidingsmogelijkheden bitter, zuur, zout en zoet daarentegen weer slecht.


Als dieren, die vooral actief zijn in het licht, zoeken ze in de avondschemering hun rustplaats op, om deze pas bij het licht worden weer te verlaten. Een “inwendige” klok regelt de op elkaar volgende periodes van activiteit en rust; bijvoorbeeld wat betreft voedselopname, lichaamsverzorging, vliegen, hoeden en voeren van de jongen.


Duiven beschikken ook over het vermogen om dingen te leren van een groep. Hun geschiktheid om iets te leren werd door meerdere wetenschappers onderzocht.

Delius (1983) heeft dit samengevat en beschreven.

Volgens hem kunnen duiven:

verschillende kleuren, figuren en vormen van elkaar onderscheiden;

een volgorde van kleuren onthouden, d.w.z. dat ze tot vijf verschillende kleuren achter elkaar in de goede volgorde kunnen aanpikken;

getalsmatig beperkte pikreeksen begrijpen, bijv. slechts vijf keer achter elkaar te pikken, dus op een bepaalde manier tellen leren;

begrippen als “boom”, “symmetrie”, “mens”, of “gelijkheid” onderscheiden en begrijpen, zonder dat hier taal aan te pas komt.


Als een duif eenmaal iets heeft begrepen, beheersen ze dat nog na 6 jaar! Zo leerden ze afzonderlijke figuren uit een groep van maximaal 160 figuren te onderscheiden en konden ze dat na 2 jaar nog!

Duiven beschikken over een lange en korte termijn geheugen.


Pingpongende duiven.




Naar volgend hoofdstuk.


Terug naar Het gedrag van duiven.