Sierduiven
J.Luchtmeijer

BROEDEN


Het leggen van de eieren

In elke voortplantingscyclus leggen duivinnen meestal twee eieren. Bij hele dagen stimulatie tot follikelrijping wordt het eerste ei telkens op de 7e tot 8e dag na het paren gelegd, meestal tussen 16 en 17 uur. Op de zelfde dag om 19 tot 20 uur vindt de ovulatie en bevruchting van het tweede ei plaats, dat de duivinnen twee dagen later (9 tot 10 dagen na het paren) tegen 13 tot 14 uur leggen, dus 41 tot 42 uur na de ovulatie.

Vlak voor het leggen van het ei lijken duivinnen onrustig, ze bewegen hun kop en snavel onder hun lichaam en wippen opgewonden met de staart. Met het leggen van het tweede ei eindigt de seksueel actieve fase van de voortplantingscyclus. Het leggen van de eieren kan enkele uren tot dagen vertraagd zijn. Legnood doet zich voor, als duivinnen hun eieren om verschillende redenen niet kunnen leggen. (bijv. abnormaal grootte, vorm, ligging en gesteldheid van de eieren, ontstekingen, verdraaiingen, verzakking of andere ziekelijke veranderingen van de eileider of de cloaca).


Broeden

De duivinnen beginnen pas met broeden als het tweede ei zich in het nest bevindt. Daarvoor staan of zitten ze slechts losjes op het eerste ei. Duivinnen en doffers broeden om de beurt, telkens op een voor hen vaste en zelfde tijd. Beide partners keren regelmatig de eieren en houden het nest op orde. Het bebroeden van het legsel zorgt voor de ontwikkeling van het embryo. Als bijzonder kritisch gelden de 1e tot de 4e, de 6e tot de 12e en de 15e tot de 17e broeddag. In deze periodes groeit het embryo het snelst en sterft het vaakst af bij verstoring van het broeden.


Broedende doffer Warschauer vlinder.


Met het voortduren van de broed verkleuren de kalkschalen van bevruchte eieren. Ze krijgen een blauwachtige zweem terwijl de onbevruchte eieren wit blijven.

Valt een fokdier om verschillende redenen uit, dan broedt de overblijvende partner verder. Duivinnen kunnen dit langer dan doffers. Op verstoringen van de broed reageren sommige partners sterk, andere nauwelijks. Af en toe verlaten ze ondanks bevruchte eieren en optimale fokvoorwaarden, om voor de fokker onverklaarbare redenen hun nest.

Verwijdert men bij doffers de testikels, dan verliezen ze als kapoenen hun baltsgedrag, hun paringsdrift en andere seksuele activiteiten. Ze bebroeden echter wel aanwezige legsels verder, alleen niet meer zo vast en regelmatig als voordien.


Uitkomen van het ei

17 tot 18½ dag na het leggen verlaten de jongen het ei. Het tweede duifje komt meestal 3 tot 9 uur na het eerste uit het ei. Gedurende deze tijd zitten de ouders bijzonder vast op het nest. Om uit het ei te komen moeten de jongen zowel het tweebladige schaalvlies als de harde kalkschaal doorstoten. Ongeveer 24 uur daarvoor beginnen ze deze met stoten van hun snavel open te breken. Daarbij draaien ze zich geleidelijk om hun eigen as en hameren de omhulsels over de totale omtrek stuk, om tenslotte het eideksel af te stoten en uit het ei te komen.


Het opfokken van de nesteling

Het nog vochtige donskleed van de uitgekomen jongen droogt snel door de lichaamswarmte van de ouders. In de eerste levensweken hoeden de ouders hun nakomelingen voortdurend. Duivinnen en doffers wisselen elkaar daarbij af, en net als tijdens het broeden hoeden ze soms tegelijkertijd. Beide partners voeren ook hun jongen, in het begin alleen met kropmelk, daarna geleidelijk aan toenemend met in de krop van de ouders voorgeweekte korrels, wat de jongen tot het spenen ontvangen.


Jonge Burmali meeuwen in het nest.


De nakomelingen groeien zeer snel en ontwikkelen zich zienderogen. Reeds op de 15e dag zitten ze uitgebreid in de veren en hun snavel lijkt al op die van een volwassen duif. Op de 26e tot 28e dag neemt hun groei en veervorming sterk af. De zwartblauw gepigmenteerde ogen verkleuren pas later in de iriskleuren groengrijs, oranjerood of donker- tot zwartbruin.


Bedelend jonge Seltsjoekse tuimelaar.


In het begin verzorgen de ouders hun jongen zeer intensief; van de 10e tot de 12e dag steeds minder (afhankelijk van het weer en andere condities ook nog later). Doffers kunnen hun jongen tot 5 weken lang voeren voordat ze hen volledig afhouden.


Het spenen van de volgroeide jongen

De meeste fokkers spenen de jongen reeds in de 4e levensweek en brengen ze apart onder in een jongdierenhok. Hiermee besparen ze de fokkoppels het verder voeren van reeds zelfstandige nakomelingen. Deze wennen snel aan het zelfstandig zijn in hun nieuwe omgeving. Te vroeg gespeende jongen hebben het vooral in de eerste dagen moeilijk om voldoende voedsel op te nemen. Deze startproblemen zijn te vermijden als men op tijd voor het spenen zowel bakjes met voer als met water in de broedkooien zet. De pikkende en drinkende ouders stimuleren hun jongen hen na te doen.


Pas gespeende Tsjeljabinskse tuimelaar.




Terug naar Het gedrag van duiven.